Voorbeelden van Pseudo Techniek
In dit hoofdstuk vind je commentaren van mij op de inhoud van sommige websites, of tijdschrift artikelen die ook op internet geraadpleegd kunnen worden.
Ik leg niet op elk slakje zout, maar ik geef in grote lijnen en hier en daar in detail aan waar de auteur de mist in ging.
En ik vertel hoe het wel in elkaar steekt.
Karakteristiek afsluiten van kabels
Er stond in 2001 in het Amerikaanse blad Scientific American een aardig artikel over het ontdekken van wetenschappelijke fraude en pseudo wetenschap. Dat artikel heeft geleid tot een hoofdstuk over de betrouwbaarheid van de informatie die ik op deze website verstrek.
Karakteristiek afsluiten van kabels
Dit verhaal is in het engels en het staat in een apart hoofdstuk
Een artikel van ene meneer Delétraz in Stereophile bracht me ertoe te reageren, hetgeen tot een korte discussie geleid heeft. Van de redactie van Stereophile geen woord.....
Deze meneer gaat z'n signaalkabeltjes karakteristiek afsluiten. D. legt keurig uit hoe dat gaat. En inderdaad, bij een niet afgesloten kabel van 100 meter heb je een probleem bij 500 KHz
Bij een meer realistische kabel van 1 meter verschuift dat probleem naar 50 Mhz. Ondanks dat ik hem voorreken dat er geen enkel effect in het audio gebied is blijft hij bij z'n bewering dat er goed hoorbare verschillen zijn.
Voor mensen die in navolging van D. hiermee willen gaan experimenteren: De (analoge) uitgangen van CD-spelers en dergelijke zijn niet ontworpen om belast te worden met karakteristiek afgesloten kabels van 75 Ohm of zo. Als je dat toch doet is er een gerede kans op intermodulatie vervorming.
D. noemt dit aspect wel, maar slechts in de marge.
Een tweede aspect (en dat heb ik me pas veel later gerealiseerd) is dat door die het afsluiten van de kabel aan het eind er een veel grotere retourstroom door de afscherm mantel gaat lopen. In het geval van een stereo-paar kan dat gemakkelijk leiden tot een verslechtering van de links-rechts overspraak. De retourstroom van het ene kanaal verdeelt zich n.l. over de mantels van beide kanalen. De weerstand van de mantels levert dan een koppeling op. Bij het kabeltje van 2 meter dat ik in het rekenvoorbeeld over signaalkabels gebruik zou de kanaalscheiding verslechteren tot -45 dB. Dat is bij heel bepaalde muziek wellicht net hoorbaar.
Als D. inderdaad verschillen gehoord heeft dan is het die toegenomen vervorming geweest of die verslechterde kanaalscheiding.
En om nog een keer na te trappen: Ik kwam van diezelfde auteur in hetzelfde blad een artikel reeks tegen waarin hij omstandig uitlegt hoe hij jaren lang heeft zitten klungelen met het ontwerpen van een eindversterker. Uiteindelijk komt er dan een monstrum van 40 Kilo tevoorschijn dat maar liefst meer dan 1% vervorming produceert. (zou 'ie daar soms van houden?)
Sorry meneer D, u geeft er blijk van dat u op het gebied van elektronica slechts wat klokken heeft horen luiden.
In het hoofdstuk over kabeltechniek leg ik in het nederlands uit hoe het zit met het karakteristiek afsluiten.
Top
Iemand attendeerde me een artikel in
(alweer) Stereophile over jitter in CD-spelers.
Het artikel beschrijft metingen aan
het jitterspectrum van een aantal CD-spelers. De schrijver vindt nogal wat
verschillen en probeert daar uit de "klankverschillen" tussen
CD-spelers te verklaren.
Iemand attendeerde me op een artikel in het tijdschrift Stereophile over jitter in CD-spelers ("transports")
Je vindt hieronder mijn commentaar, want ik heb nogal wat aan te merken op dat verhaal.
Het artikel beschrijft metingen aan het jitterspectrum van een aantal CD-spelers. De schrijver vindt nogal wat verschillen en probeert daar uit de "klankverschillen" tussen CD-spelers te verklaren.
In de techniek geldt vrij algemeen dat als je maar nauwkeurig genoeg gaat meten je altijd wel wat gekke dingen tegenkomt. Voor een wetenschapper is dat vaak een aanleiding voor verder onderzoek, maar een technicus dient zich allereerst af te vragen of 'ie wel meet wat 'ie denkt te meten en of je wel last van het betreffende verschijnsel hebt of kunt krijgen.
Het is dit aspect waarop het verhaal van Robert Harley volledig mank gaat. Nergens maakt hij duidelijk of verwijst hij naar een redenering die aangeeft hoe ernstig de gemeten jitter doorwerkt in het analoge audio signaal en het uiteindelijke geluid.
Omdat dit een zo voor de hand liggend verband is kan ik niet anders concluderen dan dat dit aspect met opzet weggelaten is. Enig rekenwerk levert nl. op dat de ruisbijdrage door deze gemeten jitter minder dan zo'n -80 dB is en dus volledig gemaskeerd wordt door de aanwezige muziek. Als Robert Harley dat vermeld had zou zijn verhaal in een geheel ander licht zijn komen te staan.
Robert redeneert slechts: "Jitter verslechtert het geluid" (dat klopt) maar verzwijgt zorgvuldig hoe gering dat effect is. Dit grenst aan misleiding.
De enige relatie die hij legt met het hoorbare is d.m.v. enkele luisterproeven die die hij in z'n eentje, en dus niet blind gedaan heeft. Zeker als de te verwachten verschillen klein zijn moeten luistertests altijd blind gedaan worden met een panel van enige omvang, en een flink aantal tests, zodat de significantie van de uitslag bepaald kan worden.
Kortom een verhaal, waar geen conclusie uit te trekken valt, terwijl dat wel gesuggereerd wordt.
Dan heb ik nog enkele kleinere punten van kritiek:
Robert Harley stelde
zich in dit artikel ten doel om de hoorbaarheid van verschillende jitter nivo's
te onderzoeken. Een serieus onderzoeker kijkt dan eerst naar de reeds bekende
theorieen en werkings mechanismes en vraagt zich af "Wat is er te
verwachten, hoe zal dat klinken en hoe erg is dat".
Vervolgens gaat
hij muziek- en test signalen eerst eens flink, maar gecontroleerd verjitteren
(dat is heel simpel te realiseren) en met blinde tests uitzoeken hoe een luister
panel dat ervaart. Niets van dat alles in het "onderzoek" van RH.
Robert meet flinke
verschillen tussen de apparaten. Hij neemt zonder meer aan dat de verschillen
specifiek zijn voor de betreffende apparaten (dus niet exemplarisch) en hij gaat
niet op zoek naar mogelijke
technische verklaringen voor die verschillen.
In
plaats daarvan relateert hij de meetresultaten aan de prijs van de apparaten,
daarmee voedsel gevend aan de simplistische redenering dat "duurder"
altijd "beter" betekent.
Hij constateert soms
wel, soms niet een correlatie tussen het jitter spectrum en de audio inhoud van
het digitale signaal, maar vraagt zich volstrekt niet af hoe dit zou kunnen
komen.
Voor de (relatieve) leek lijkt het voor de hand te liggen dat er een
relatie is tussen het audio spectrum en dat van het digitale signaal. (en dan
dus ook voor de jitter daarop) Als je je echter goed realiseert hoe het spectrum
van een serieel digitaal signaal opgebouwd is en hoe dat nog verder verruist
wordt door de biphase encoding dan weet je dat dat verband er niet is. Als
er dan toch een verband tussen de audio inhoud en het jitter-spectrum gemeten wordt moet er iets heel bijzonders aan de hand zijn.
Hij vindt hier en daar een piek op 7.35 KHz (1/6de van de sample frequentie 44.1 KHz) en wijt die zonder enige verklaring aan een signaal in de subcode. Echter, de subcode in het SPdif signaal gaat met 2 bits per stereo sample. Het is erg onwaarschijnlijk dat er daar om de 12 bitjes iets gebeurt. En zo er al informatie van een CD in de subcode van het SPdif signaal terecht komt is dat afhankelijk van wat er op de CD staat, niet van de speler.
Hij stelt dat als het
jitter spectrum sterk correleert met de audio inhoud dit leidt tot een
smalbandige ruisbijdrage rondom die audio frequentie. Dat is niet geheel
correct. Specifieke frequenties in het jitter spectrum vertalen zich naar som-
en verschil frequenties met die in het audio spectrum. Omdat het muziek spectrum
meestal meer op ruis lijkt dan op heel specifieke frequenties wordt het
resultaat toch wel meer ruis dan iets anders.
Overigens, in de grafieken waar er zo'n
correlatie zichtbaar is vond ik die niet erg smalbandig.
Hij stelt ergens dat het effect van de jitter toeneemt met de sample frequentie. Dat is apert fout, het effect van de jitter neemt juist af met hogere sample frequentie. Ik heb dat in het jitter hoofdstuk uiteengezet.
Hij vindt ergens een
verband met de richting waarin een kabel aangesloten was. Hij veronderstelt
-niet onterecht- dat dat kan samen hangen met een impedantie mismatch bij 1 van
de connectoren. In z'n conclusies zegt 'ie dat er nu "bewezen is dat kabels
een richting afhankelijkheid kunnen hebben". AMEHOELA!!! (ik weet even geen
ander woord voor dit soort kromme redeneringen die alleen bedoeld zijn om
voedsel te geven aan nog meer onzin)
Een impedantie mismatch kan alleen tot
een jitter toename leiden als er ook nog een aantal andere omstandigheden zijn
in de driver en de receiver. (dit is een vrij ingewikkeld verhaal waar ik hier
niet op in zal gaan)
Kortom, een verhaal vol pseudo techniek en onhoudbare conclusies, dat slechts bedoeld kan zijn om misverstanden in leven te houden.