Alle argumenten over signaalkabeltjes (Interconnects, Interlinks) bij elkaar.
Allereerst de zuiver technische argumenten
Verwaarlozingen en andere aannames
Handmatige berekeningen aan het RLC model
Geleidings problemen in koperdraad
Afscherming en storing van buitenaf
Discussies met kabeltjes fanaten.
In dit hoofdstuk verzamel ik alle argumenten voor en tegen de stelling dat bijzondere (lees dure) signaalkabels een hoorbaar effect op het uiteindelijke geluid hebben. Ik heb het alleen over "enig effect". Beter of slechter laat ik in het midden.
Mijn insteek is dat zulke effecten er -bewijsbaar- niet zijn, mits je je aan enkele eenvoudige regels houdt, maar ik zie graag tegenbewijs, en ik zal proberen om dat met technische en logische argumenten omver te halen.
Let wel: Het gaat hier over signaalkabeltjes voor analoge signalen, zoals die tussen een CD-speler en een versterker.
Voor andere kabels gelden andere overwegingen. Zie het introductie hoofdstuk over bekabeling.
De reden voor deze samenvatting is dat ik regelmatig mail krijg van mensen die bij hoog en laag zweren "zulke grote verschillen te horen" tussen diverse kabeltjes. Ik heb geen zin om iedere keer weer het zelfde verhaal te vertellen, dus ik zal die mensen in het voortaan op dit hoofdstuk wijzen.
Dit hoofdstuk is voorlopig niet klaar, ik zal het steeds bijwerken met argumenten tegen de nieuwe misverstanden waarmee de fervente kabeltjes luisteraars ongetwijfeld zullen aankomen. Voor deze mensen: Voel je vrij om een nieuw argument te berde te brengen dat moet verklaren dat er zulke enorme verschillen tussen diverse interconnects hoorbaar zijn. Ik zal het weerleggen.
Op verzoek van ene N.C. heb ik wat onderzoek gedaan aan 2 door hem gemaakte signaalkabeltjes. Hier het onderzoeks verslag
Allereerst de zuiver technische argumenten:
Ik neem hier eerst de bekende elektronische effecten onder de loep, de tot nog toe "onbekende" volgen later.
Bedenk dat het elektrische audio signaal dat door een kabel of een analoog apparaat gaat op slechts vijf manieren aangetast kan worden.
Frequentie-
en fasekarakteristiek.
De verhouding tussen de sterkte van de hoge en lage tonen kan aangetast
worden. Er kunnen resonanties optreden op bepaalde frequenties, of bepaalde
frequenties kunnen bijna geheel uitdoven. Ook kunnen sommige frequenties met
andere looptijden door het systeen propageren. Dit levert z.g. fase
vervorming op.
Het moet nogal ernstig zijn willen zulke verschijnselen hoorbaar worden.
Afwijkingen in de frequentie karakteristiek van minder dan zo'n 10 %
(1 dB) zijn niet hoorbaar. Zelft het simpelste kabeltje veroorzaakt
afwijkingen van minder dan een promille, en dure kabels doen dat nauwelijks
beter.
Bij een Vinyl platenspeler met een MD
element moet er op de kabel capaciteit gelet worden.
Intermodulatie
vervorming
Alle elektronische apparaten waarin het signaal behandeld wordt met
transistoren, geintegreerde schakelingen of met elektronenbuizen produceren
harmonischen en som- en verschil frequenties. Intermodulatie vervorming
wordt vaak uitgedrukt in THD, van Total Harmonic Distortion. Meestal
neemt die vervorming toe met de signaalsterkte, maar sommige soorten
intermodulatie vervorming treden juist bij kleine signalen op.
Kabels produceren ten ene male geen harmonische of intermodulatie
vervorming.
Overspraak
tussen het linker en het rechter kanaal, of tussen de ingangen van een
regelversterker. (Je hoort de FM-tuner door de CD heen)
Als dit optreedt is het vrijwel altijd een probleem in de versterker, maar
in sommige gevallen kan het ook door een kabeltje veroorzaakt worden.
Bij laagohmige signaal bronnen zoals een Vinyl platenspeler met een Moving
Coil element kan dit gemakkelijk optreden.
Ruis.
Alle weerstanden en actieve elementen zoals transistoren of buizen dragen
ruis bij. Ook het lezen van magnetische of mechanische media (magneetband,
vinyplaten) geeft een bepaalde ruisbijdrage. Sommige ruisbronnen zijn
onafhankelijk van de signaalsterkte (Johnson ruis in weerstanden en
shot-noise in transistoren), andere zijn evenredig met de signaalsterkte
(o.m. modulatie ruis bij analoge magneetband weergave).
Elke kabel vertegenwoordigt een (kleine) weerstand, en draagt dus ruis bij.
Deze ruisbijdrage valt echter volledig in het niet bij de andere ruisbronnen
die in elk audio systeem zitten, en waar je normaliter ook geen last van
hebt.
Beinvloeding door ongewenste signalen van binnen of van buiten het beschouwde systeem. (EMC probleem)
Kijk in het hoofdstuk "Hoe klinkt elektronica" hoe deze effecten in het uiteindelijke geluid uitwerken.
In eerste benadering kan een signaalkabel voorgesteld worden als een netwerkje van weerstanden, capaciteiten en zelfinducties. Je kunt dan uitrekenen hoe het signaal degradeert ten gevolge van deze elementen.
Als onderzoeks materiaal heb ik een eenvoudig stereo kabeltje van de bouwmarkt genomen met een lengte van 2 meter. Metingen aan deze kabel hebben het volgende opgeleverd:
Lengte : 2 meter
Buiten diameter isolatie : 2.8 mm
Buiten diameter mantel : 1.3 mm
Ader diameter : ca. 0.4 mm
Ader weerstand : 1.2 Ohm
Mantel weerstand : 0.8 Ohm
Mantel constructie : enkelvoudige omwikkeling met ca. 25 dunne aders Cu.
Overgangsweerstand van de connectoren : 0.1 Ohm per overgang. (geschat)
Capaciteit : 400 pF
Lekweerstand : 1 Giga Ohm. (aanname, waarschijnlijk veel hoger)
Zelfinductie ader : 2 uH (zie noot)
Zelfinductie mantel : 2 uH (zie noot)
Skin effect ader : Verwaarloosd. Wordt pas merkbaar boven 100 Khz (grafiek uit boek van Goedbloed)
Skin effect mantel: Bij 20 Khz ca. 10% stijging van de weerstand. (grafiek uit boek van Goedbloed)
Ik heb dit kabeltje geplaatst tussen een signaalbron zoals een CD-speler, en een regelversterker. Voor deze heb ik aangenomen:
Uitgangs impedantie van de signaalbron : 1 KOhm. (in de praktijk is dat meestal beduidend minder)
Ingangs impedantie van de versterker : 50 KOhm met 200 pF parallel.
Noot: Dit is een aanname op grond van wat de literatuur zegt over een enkele rechte ader (1 uH/meter). Voor een kabel is het vrijwel zeker minder, aangezien de magnetische velden van de heen- en teruggaande stroom elkaar voor een flink deel opheffen.

Fig 1. Vervanging schema van een analoge stereo kabelverbinding
We zien hier (bijv.) de CD-speler met een uitgangs versterkertrap A met z'n uitgangs impedantie Z-out.
Vervolgens krijgen we de zelfinductie Lk en de weerstand Rk van de kabel-ader. Dan de capaciteit Ck van de kabel en een mogelijke lekweerstand Rp. In de versterker zien we de ingangsweerstand Rl en de bijna altijd ook aanwezige ingangs capaciteit Cl.
De mantel van de kabel is in rekening gebracht als de zelfinductie Lm en de Ohmse weerstand Rm.
De connector overgangs weerstanden zijn aangeduid als RcO bij de bron en RcI bij de ingang van de versterker.
Het hele circuit is in stereo uitgevoerd zodat ook de overspraak uitgerekend kan worden.
Z-out = 1 Kohm
Lk = 2 uH
Rk = 1.2 Ohm
Ck = 400 pF
Rp = 1 GOhm
Rl = 50 KOhm
Cl = 200 pF
Lm = 2 uH
Rm = 1 Ohm
RcO, RcIs, RcI zijn 0.1 Ohm
Merk op dat de nul (of Gnd) van de CD-speler niet dezelfde is als die van de versterker.
De rode cijfers geven de node nummers aan van het pSpice model waarmee ik verderop aan het werk ga.
Verwaarlozingen en andere aannames
Ik
heb transmissie lijn effecten zoals reflecties verwaarloosd. Bij de hoogste
audio frequentie (20 kHz) is de golflengte in vacuum 15 Km. (de
lichtsnelheid van 300.000 Km/sec gedeeld door de frequentie) Op kabels gaat
het signaal altijd langzamer, tot wel 60% van de lichtsnelheid. Ik kom dan
op een golflengte van zo'n 10 Km.
In verhouding tot de lengte van het kabeltje zijn er dan geen afwijkingen te
verwachten groter dan 0.0002, of -74 dB
Noot: Transmissielijn-effecten (beter de afwezigheid ervan) zijn beschreven
in het hoofdstuk over kabeltechniek, en in
een ander artikel val ik een pseudo techneut
aan.
Voor o.m. de overspraak telt dat de weerstand, zelfinductie en capaciteit gespreid over de lengte van de kabel aanwezig zijn. Ik heb die verspreidheid niet in rekening gebracht, maar deze impedanties op de maximaal ongunstige manier gerangschikt. In de praktijk hebben ze op de overspraak ca. de helft van het effect wat ik hier bereken.
De overgangsweerstand in de signaal ader van de CD-speler is verwaarloosd (verdisconteerd in de Z-out)
Bij
de handmatige berekeningen heb ik alleen voor de capaciteit rekening
gehouden met de faseverschuiving.
Bij de zelfinductie heb ik dit verwaarloosd, dit geeft een iets te
pessimistisch beeld van het signaalverlies.
De computer simulaties houden wel rekening met faseverschuivingen.
De capaciteit tussen de afscherm mantels onderling is verwaarloosd.
De koppeling van de zelfinducties is verwaarloosd. De koppeling tussen de mantel zelfinducties heeft hier geen effect, en de koppeling tussen de mantel en de binnen-ader heeft alleen een gunstig effect. (Zie de noot over de anname van de zelfinductie hierboven)
Handmatige berekeningen aan het RCL model
Verzwakking
t.g.v. de kabelweerstanden is onafhankelijk van de frequentie
De kabel heen-en-terug weerstand is Rk + Rm = 1.4 + 1 = 2.4 Ohm. Dit gedeeld
op de belastings weerstand van 50 kOhm geeft 2.4 / 50,000 = 0.000048.
Dit signaal blijft over de kabel staan, en 0.999952 van het signaal bereikt
de versterker.
Uitgedrukt in dB: Er staat -86 dB over de kabel en er is een verzwakking van
-0.00042 dB.
De uitgangs impedantie (weerstands gedeelte) van de CD-speler resulteert in combinatie met de ingangsimpedantie (weerstands gedeelte) van de versterker in een verzwakking van 2% voor alle frequenties. Dit heeft geen effect op de klank.
Verzwakking
t.g.v. de kabel zelf inductie neemt toe met de frequentie
De zelfinductie heen-en terug is Lk + Lm = 4 uH. Bij de hoogste audio
frequentie van 20,000 Hz geeft dit Xl= 2*pi*L =2 * 3.14 * 20,000 * 4E-6
= 0.5 Ohm
Dit gedeeld op de belastingsweerstand van 50 kOhm geeft 0.5 / 50,000 =
0.00001. Dit signaal blijft over de kabel staan, en 0.999990 bereikt de
versterker.
Uitgedrukt in dB: Er staat -100 dB over de kabel, en er is een verzwakking
van 0.000087 dB
Bij lagere frequenties is dit effect minder.
Verzwakking
t.g.v. de kabel capaciteit neemt toe met de frequentie
De kabel capaciteit Ck vormt met de uitgangs impedantie Z-out van de
CD-speler een frequentie afhankelijke spanningsdeler, waarvan de verzwakking
het sterkst is bij de hoogste audio frequentie van 20 kHz.
De kabel heeft dan een schijnbare parallel weerstand van Xc = 1 / (2 * pi *
C) = 1 / (2 * 3.14 * 20,000 * 400 * 1E-12) = 20 kOhm.
Dit geeft een verzwakking van 20k / wortel (1k kwadraat + 20k
kwadraat) = 0.997 . Oftewel 0.997 van het signaal bereikt
de versterker. Uitgedrukt in dB: -0.022 dB
Bij lagere frequenties is dit effect minder.
Opm: De wortel uit de som der kwadraten is hier nodig om de faseverschuiving
in rekening te brengen.
Kanaal
overspraak t.g.v. de mantelweerstand
De retourstroom gaat gelijk op door de mantels van de linker en de rechter
signaalkabel en veroorzaakt een bepaalde mate van kanaal overspraak.
(Merk op dat in dit geval de beide mantel-impedanties parallel staan)
De parallel schakeling van de mantel weerstanden Rm is 0.5 Ohm. Met de
50 kOhm belastings werstand levert dit een overspraak van 0.5/50,000 =
0.00001
Uitgedrukt in dB: -100 dB
Kanaal
overspraak t.g.v. de gecombineerde werking van mantel weerstand, mantel
zelfinductie, en parallel capaciteit in de kabel
De maximaal ongelukkige situatie doet zich voor bij de hoogste audio
frequenties.
We hebben hier de weerstand + de zelfinductie van de beide mantels en de
belasting van 50 kOhm met 400 pF kabelcapaciteit parallel.
Dit geeft (0.5 + 0,125 ) op (50kOhm // 20 kOhm) of 0.625 / 14285 =
0.000044
Uitgedrukt in dB: - 87 dB
Ik heb het circuit van fig 1 doorgerekend met het computer programma pSpice. Het bronbestand van de simulatie vind je hier
In fig 2 zie je de hoeveelheid signaal die de versterker bereikt. (let op de vertikale schaalfactor !)
Je ziet dat er vanaf ca. 5 KHz een minieme verzwakking gaat optreden t.g.v. de kabelcapaciteit.
Bij 20 KHz is dat 0.9804 - 0.9776 = 0.0028, oftewel -0.024 dB
Een dergelijke verzwakking is pas hoorbaar vanaf ca. 1 dB.

Fig 2 Signaalverzwakking
Fig 3 geeft zowel de signaal verzwakking (groen) als de overspraak (rood).
De vertikale schaal is logarithmisch. De 10 uV van de rode lijn staat op -100 dB. (iedere factor 10 in de spanning is 20 dB)
Vanaf ca. 5 Khz begint de overspraak toe te nemen tot 'ie bij 20 KHz ca 35 uVolt is. Dat is -89 dB.

Fig 3. Signaal verzwakking en overspraak
Het RLC model gaat uit van ideale weerstanden, ideale capaciteiten en ideale zelfinducties. In de praktijk zijn die dingen niet ideaal, en daarom moeten we ook hun tekortkomingen in ogenschouw nemen.
De bekende afwijkingen van het ideaal zijn:
- Bij weerstanden: Het skin effect: bij hogere frequenties neemt de weerstand toe. In het hoofdstuk over kabeltechniek kun je zien dat die toename bij deze dunne draad pas bij ca 1 MHz begint.
- De overgangs weerstand van connector-aansluitingen kan wat vervelend doen in het geval van corrosie. Bijna altijd merk je dat aan het wegvallen van het geluid (of van 1 kanaal) De remedie is het losnemen en weer maken van de verbinding, of wat aan de connectors draaien. Het gebruik van vergulde connectors voorkomt dit probleem.
-
Bij capaciteiten zijn er de diëlectrische verliezen (de tangens delta) en de
lekweerstand: bij hogere frequenties krijgt de condensator een uiterst kleine
serieweerstand. Het effect van deze weerstand werkt hier in de
"goede" richting, maar het effect is extreem klein.
De lekweerstand van een kabeltje bedraagt normaliter vele honderden MegOhms, en
dat resultert in een uiterst kleine verzwakking die voor alle frequenties gelijk
is.
Capaciteiten kunnen ook nog behept zijn met "dielectric strorage", maar: de isolatie materialen die in kabels gebruikt worden vertonen dit effect bijna niet, en zo ze het wel vertonen, het effect veroorzaakt een geringe afwijking bij extreem lage frequenties, lager dan 1 Hz.
- Bij zelfinducties zijn er de hysteresis verliezen. De materialen in kabels hebben geen hysteresis verliezen, en zelfs als die er wel waren zou het betekenen dat er bij hoge frequenties in serie met de zelfinductie een kleine weerstand komt.
Met andere woorden: Ook het niet ideaal zijn van de componenten in het LRC model biedt geen ruimte voor hoorbare verschillen tussen kabels van verschillende constructie.
Geleidings problemen in koperdraad
In de high-end Hifi wereld wordt regelmatig gerept over het probleem dat gewoon koper(draad) een soort vervorming zou opleveren die veroorzaakt wordt door gebrekkige geleiding tussen de koper kristallen, en dat zou erger worden als er ook nog wat zuurstof in het koper zit. Vandaar OFC, Oxigen Free Copper, oftewel zuurstofvrij koper. Ook wordt er wel zilver toegevoegd of gebruikt in plaats van koper.
Vaak wordt dit geillustreerd met een figuurtje als dit:

Merk op dat er in zulke publicaties nooit bij staat wat er nu in deze grafiek staat: stroom? spanning? weerstand? en ook niet op welke schaal het effect optreedt.
Er wordt evenmin duidelijk gemaakt waarom zilver dit effect niet zou hebben. Immers, alle metalen zijn kristallijn op het micro nivo.
Het is stellig zo dat er op een microscopisch klein nivo dingen gebeuren die niet voldoen aan de wet van Ohm. Het gaat dan om de manier waarop individuele elektronen de oversteek maken van het ene naar het andere metaalkristal. Zulke effecten zijn echter alleen onder extereme omstandigheden (extreme koude) te bepalen omdat ze bij kamertemperatuur volledig overstemd worden door de natuurlijke onrust van de elektronen in een geleider (ruis).
De volgende vergelijking maakt het wat inzichtelijker:
Neem een grote vlakke, gladde plaat en leg daar een partij knikkers op. Als de plaat een klein beetje scheef staat zullen de knikkers naar de laagste kant rollen. De knikkers zijn de elektronen, de scheefstand van de plaat is de elektrische spanning en de beweging van de knikkers is de elektrische stroom. Dit is de simpele voorstelling die geen rekening houdt met ruis.
Vervang de gladde plaat door een grote poffertjespan. Als je die een beetje schuin houdt zullen de knikkers niet naar de laagste kant rollen, want ze blijven in de kuiltjes steken. Dit is wellicht de situatie bij extreme koude. Bij normale temperatuur trilt de pan echter zodanig dat de knikkers konstant een paar centimeter uit de kuiltjes springen. Als je nu de pan ook maar een klein beetje scheef houdt zullen de knikkers toch allemaal naar de laagste kant rollen of stuiteren.
Het is dan ook uitgesloten dat kabelconstructies met OFC of zilver daardoor een merkbare invloed hebben op de signaal overdracht.
Zie ook: Onzin over kabels en een bijdrage van een metaaldeskundige.
In
opneem studio's en concert zalen worden gewone kabels gebruikt, een
afgeschermd getwist aderpaar. Niks geen gedoe met zilver, OFC of bijzondere
constructies. Die kabels zijn tientallen meters lang, niet zelden over de
honderd.
Hoe kan iemand dan volhouden dat een "speciaal" signaal kabeltje
van pakweg een meter tussen een CD-speler en een versterker een enorm
verschil zou uitmaken?
Gesteld
dat er inderdaad problemen zijn met de signaaloverdracht via een
"gewoon" kabeltje. Er zouden reeksen alarmbellen afgaan in de
technische wereld buiten het kleine High-End Hifi segment.
Er zijn in de industriele, medische of militaire elektronica heel wat
situaties waarbij er signalen overgedragen moeten worden die in veel
opzichten vergelijkbaar zijn met audio.
Stel je voor, dat je een hartaanval krijgt en aangesloten wordt op een
electrocardiograaf met het verkeerde soort kabel?
Stellig
worden er op allerlei plaatsen in de techniek speciale eisen gesteld aan
allerlei kabels. Daar is dan altijd een goede kwantitatief-technische
onderbouwing bij waarom de ene kabel beter is dan een andere. (In de meeste
gevallen gaat dat niet eens om de signaal overdracht, maar om mechanische of
omgevings-eisen)
In het audio geval heb ik zulke kwantitatieve onderbouwingen nog niet
gezien. (maar ik hou me aanbevolen.....)
Afscherming en storing van buitenaf
De eenvoudige standaard kabeltjes hebben een afscherming die ruim voldoende is om alle storing in het audiofrequente gebied buiten te houden. Voor zeer hoogfrequente stoorsignalen zijn ze doorgaans onvoldoende. MAAR: fatsoenlijke audio apparatuur is ongevoelig voor zulke hoge frequenties, of behoort dat te zijn, en dat kan met eenvoudige middelen gerealiseerd worden, mits door het hele ontwerp-proces meegenomen.
En zelfs als de afscherming onvoldoende is, èn de apparatuur heeft een slechte immuniteit tegen zulke storing, èn er is een buitensporig hoog stoornivo (bijv. je buurman met z'n opgevoerde 27Mc bak) dan zul je dat merken aan allerlei bijgeluiden. NIET aan de strakke bas, NIET aan de "plaatsing" van de instrumenten, NIET aan de sprankelende trompetten of violen, of hoe het geluid "los komt" van de luidsprekers.
Zie de hoofdstukken "Hoe klinkt elektronica" en "Storing van buitenaf"
In het bovenstaande heb ik vooral aangegeven hoe groot problematische eigenschappen van gewone kabeltjes maximaal kunnen zijn. We hebben gezien dat er effecten zijn in het bereik van ruwweg -60 to -120 dB (1 promille tot 1 miljoenste) , maar dat is een geringe verzwakking over het hele frequentie bereik, en een eveneens minieme verzwakking van de hoogste frequenties. Ook kan er een geringe kanaal overspraak optreden, ca -80 dB of 0.1 promille (bedenk dat het vinylplaten systeem nooit beter was dan ca. -30 dB)
Hoe hoorbaar zijn zulke effecten?
Van de eigenschappen van het menselijk gehoor is bekend dat we volume verschillen van 3 dB nog net kunnen horen. Dat is een factor 2 in vermogen oftewel een factor 1.4 in signaalspanning.
Eveneens is een gebrek aan hoge of lage tonen pas hoorbaar als het 3 dB of meer is. Weer die factor 1.4
Onder bepaalde omstandigheiden kunnen effecten van 1 dB wellicht ook nog hoorbaar zijn, dat is 25% signaal sterkte.
Het is dus volstrekt onmogelijk dat we afwijkingen van promilles in het volume of in het frequentie bereik kunnen waarnemen.
Voor de kanaalscheiding geldt een vergelijkbare redenering. Daar komt bij dat bij de meeste muziekopnamen (zeker die met een live-akoestiek) de kanaalscheiding helemaal niet zo groot is, want anders krijg je het z.g. ping-pong stereo.
Resteren de niet-lineaire effecten waarbij er intermodulatie vervorming optreedt.
Zoals hierboven aangegeven kunnen zulke effecten niet groter zijn dan ver en ver onder de principiele ruisbronnen, want anders waren zulke effecten al lang geleden ontdekt.
Daar komt bij dat het menselijk gehoor beschikt over de eigenschap "maskering". Dat wil zeggen dat indien er een geluid A klinkt, een ander geluid B volstrekt onhoorbaar is, afhankelijk van de frequentie en de sterkte verhouding van A en B.
In het algemeen geldt dat geluiden met een hogere frequentie gemaskeerd worden als ze zwakker zijn dan zo'n -40 dB t.o.v. het sterkere geluid.
Geluiden met lagere frequenties worden minder gemaskeerd, maar bij lage frequenties is de gevoeligheid van het gehoor ook veel minder.
Kwantitatieve gegevens over de gevoeligheid van het menselijk gehoor en de maskering vind je in mijn hoofdstuk over het gehoor.
De signaal beschadiging door een eenvoudig standaard kabeltje is zodanig gering dat het onder alle omstandigheden volstrekt onhoorbaar is.
En waar er geen merkbare fouten zijn valt er ook niets te verbeteren.
Discussies met kabeltjes fanaten.
In de discussies die ik met kabeltjes fanaten gehad heb komen steevast 1 of meer van de volgende aspecten aan de orde:
Men gaat niet in op de technische argumenten die ondubbelzinnig en controleerbaar aangeven dat de kwalijke effecten van een eenvoudig signaalkabeltje stukken kleiner zijn dan een promille (0.0087 dB) en dus aantoonbaar onhoorbaar zijn.
Men
gaat niet in op ongerijmdheden zoals: (ik citeer 1 van mijn discussie
partners die het logica probleem zelf aangaf)
"het pijnlijk is dat een kabeltje van 50 cm in een verbinding een
essentieel verschil kan maken omdat ik maar al te goed besef dat bij een
doorsnee opname er honderden meters kabels van gewone kwaliteit worden
gebruikt."
Deze meneer ging er prat op dat hij goede contacten in de opname wereld
heeft, dus hij zou het kunnen weten.
Toen ik hem nog eens confronteerde met deze uitspraak werd er volstrekt
omheen gel*ld
Men maakt nergens berekeningen over hoe ernstig bepaalde effecten zijn, of maximaal kunnen zijn.
Men gaat niet op zoek naar mechanismes die de "hoorbare verschillen" zouden kunnen verklaren, integendeel, men stelt dat technici die niet voetstoots in de kabeltjes effecten geloven afgestompt zijn of anderszins achter lopen.
Men
komt met wat technisch klinkend gebrabbel over de "architektuur"
van de kabel, iets onduidelijks over het diëlectricum, de "moleculaire
zuiverheid", of de "structuur van het gebruikte materiaal"
Bij doorvragen hierover blijkt men geen kwantitatieve gegevens en zelfs geen
hypothese over het werkings mechanisme te kunnen produceren.
Niet zelden verschuilt men zich achter z.g. "fabrieksgeheimen"
Men spreekt over "onmeetbare" of "onbekende" effecten die het menselijk gehoor onmiddelijk zou kunnen waarnemen, maar waarvoor de meet instrumenten "nog moeten worden uitgevonden".
Men hamert uitsluitend op: Zet je verstand op nul en ga maar naar die kabeltjes luisteren, dan zul je het van zelf wel horen.
Indien er een objectieve blinde test dreigt aan te komen haken vooral de meest fanatieke kabeltjes freaks af. Ze verzinnen de meest uiteenlopende smoezen die moeten aangeven dat blinde tests geen relevante gegevens opleveren.
De uitspraken in dit hoofdstuk gelden alleen voor signaalkabels tussen analoge signaalbronnen met een uitgangs impedantie van 1 KOhm of minder en bestemmingen met een ingangs impedantie van 50 KOhm of meer. Dit slaat dus op veruit de meeste signaal kabels.
Voor andere kabels gelden andere overwegingen. Zie het introductie hoofdstuk over bekabeling