Hier wat oplossingen en verklaringen voor het gezichtsbedrog op de vorige pagina.
Het tellen van de zwarte dotten -die er beslist niet zijn- mislukt door een bijzondere eigenschap van ons oog. We kunnen in feite alleen zien als de objecten bewegen, of als ons oog beweegt, en dat doet het continue een beetje. Als je enge tijd met een stilstaand oog (staren) naar een object of figuur kijkt dan zie je dat geleidelijk aan veel minder. Kijk je dan weg naar een egaal vlak dan zie je een z.g. nabeeld, met omgekeerde contrasten, zwart/wit verwisseld, of bij gekleurde dingen omgekeerde kleuren.
Als je je ogen fixeert op zeg de middelste witte stip zul je de zwarte stippen eromheen zien verdwijnen.
Het is een normaal mens niet gegeven om het oog langdurig perfect gericht te houden op een object, maar in experimenten waarin een object meebewoog met de oogbol is dat onomstotelijk vastgesteld.
De tweede, die met de horizontatle lijnen die scheef lijken maar het beslist niet zijn is het proces ingewikkelder, en ik weet er ook geen goede verklaring voor.
Het probleem met de gekleurde driehoeken kan op verschillende manieren benaderd worden.
Door goed te kijken. Als je een vlakscherm monitor hebt kun je met een lineaaltje waarschijnlijk zien dat er in beide grote driehoeken een knik in de schuine lijn zit. Op een CRT gaat dit wat minder goed door de bolling van het scherm.
Een eenvoudige berekening. De rode driehoek heeft een rechthoeks verhouding van 3 / 8 = 0.375 en de groene driehoek 2 / 5 = 0.4 . Die verhoudingen zijn niet gelijk en dus kunnen de schuine zijden niet in elkaars verlengde liggen; er moet een knik in zitten.
Het berekenen van de oppervlaktes. Voor een
rechthoekige driehoek geldt Opp = product van de rechthoekszijden / 2. In de
rechthoekige figuurtjes kun je simpelweg hokjes tellen.
Dus rood: 3 x 8 / 2 = 12, + donkergroen: 2 x 5 / 2 = 5 + geel: 7 +
lichtgroen: 8, totaal is 32.
De oppervlakte van de grote driehoek is 5 x 13 / 2 = 32.5 dus een afwijking
van een half hokje.